Europees hooggerechtshof beslist over exitheffing
Momenteel dient er voor het Europese hooggerechtshof een zaak die verregaande gevolgen kan hebben voor bedrijven die zich willen verplaatsen naar een andere EU-lidstaat. De zaak is een gevolg van de weigering van Spanje en Portugal om hun exitheffing op ondernemingen die hun land willen verlaten, te beƫindigen. De heffingen zouden in strijd zijn met het Europees recht op vrijheid van vestiging (Art. 43 EC).
Onder Spaans recht worden ondernemingen die zich willen verplaatsen naar een andere lidstaat belast over ongerealiseerde vermogensaanwas. Onder Portugees recht wordt de onderneming niet alleen belast over de ongerealiseerde vermogensaanwas maar mogen de aandeelhouders tevens afrekenen over de waardestijging van hun deelneming.
Nederland kent bij zetelverplaatsing een regeling die vergelijkbaar is met de Spaanse aanpak: de eindafrekening. Bij emigratie van natuurlijke personen geldt er de conserverende aanslag. Dit is van belang voor aanmerkelijk belang houders. Er is -voorwaardelijk- belasting verschuldigd door de aandeelhouder over de opgebouwde waarde bij emigratie. Echter de heffing in box 2 is pas definitief verschuldigd als de aandelen binnen 10 jaar na emigratie daadwerkelijk verkocht worden.
Onlangs bepaalde de Europese rechter dat Nederland geen zekerheidstelling voor de betaling van een conserverende aanslag bij emigratie naar een ander EU land mag verlangen omdat dit een belemmering zou zijn voor het vrije verkeer van personen. De Nederlandse regering blijft echter bij het standpunt dat de regeling niet in strijd is met het Europees recht. Het is niet goed in te zien waarom de zekerheidsstelling wel, maar de onderliggende aanslag zelf, geen belemmering voor het vrije verkeer binnen de Europese Unie zou zijn. Hopelijk brengt een uitspraak in eerdergenoemde rechtszaak hierin duidelijkheid.



