Onjuiste aangifte leidt niet per se tot omkering bewijslast

Wanneer u als ondernemer een materiëel substantiël onjuiste aangifte indient, kan de inspecteur een fictieve schatting van het belastbaar inkomen maken en de bewijslast omkeren. De ondernemer moet dan overtuigend aantonen dat deze schatting ongegrond is, wat dikwijls veel tijd in beslag neemt en juridische kosten met zich mee kan brengen. De vrijheid die de inspecteur hierin heeft is onlangs door de rechtbank Arnhem vastgesteld door het begrip ‘materiëel onjuiste aangifte’ te definiëren


Een ondernemer had zichzelf gedurende enkele jaren beloond in natura en contanten, zonder hierover aangifte te doen. Hij werd naheffingen opgelegd, en vocht deze aan in de rechtbank. Met succes daar de rechter de helft van de naheffingen verwierp. Inzake de omkering van de bewijslast had hij hierop het volgende aan te merken:

“Het louter indienen van een onjuiste aangifte rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank echter (nog) niet omkering van de bewijslast zoals bedoeld in artikel 27e van de Awr. Hiervoor is immers vereist dat het verzwegen inkomen in verhouding tot het aangegeven inkomen in relatieve en absolute zin aanzienlijk is (vergelijk Hoge Raad 14 november 1990, nr. 26.727, BNB 1992/127). De rechtbank gaat ervan uit dat van een aanzienlijk te laag aangegeven bedrag sprake is indien het verzwegen inkomen minimaal 25% bedraagt van het aangegeven belastbare inkomen. De rechtbank overweegt ten slotte dat een en ander per afzonderlijk belastingjaar dient te worden beoordeeld.”

Hiermee zijn er duidelijker voorwaarden gekomen aan het omkeren van de bewijslast bij het doen van een onjuiste aangifte, en weet de slordige (of sjoemelende) ondernemer beter waar hij of zij aan toe is.

LJN: BC7714, Rechtbank Arnhem , AWB 05/1460, 05/1461, 05/1462 en 05/1463

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

*